Mythe #6: 'Digitaal is altijd milieuvriendelijker'

Digitale technologie wordt vaak gezien als hét reddingsmiddel voor de klimaatcrisis. In plaats van elkaar te faxen of brieven op te sturen, sturen we gewoon e-mails naar mekaar. We drukken steeds minder posters of reclameborden, maar tonen deze via digitale schermen. Dat is goed, want daardoor besparen we heel wat bomen, toch? Bedrijven worden vandaag de dag voortdurend geadviseerd om duurzamer te worden door volledig 'paperless' te gaan, om magazines en flyers te vervangen door digitale nieuwsbrieven, door aan thuiswerk te doen, door sociale media te gebruiken voor communicatie en door webshops te digitaliseren. Ook de Europese Commissie heeft dat goed begrepen. In zijn speech van 10 november 2021 op de Klimaatconferentie in Glasgow was Eurocommissaris Thierry Breton erg optimistisch over de digitale toekomst: technologieën zoals 5G, Internet-of-Things, Artificiële Intelligentie, blockchain en digital twins zullen de CO2-uitstoot tegen 2030 verminderen met maar liefst 15%! Hij concludeert: 'digital technologies are and must remain a positive force for climate action.'


Is dit optimisme gerechtvaardigd? Elke poging om minder afhankelijk te zijn van beperkte grondstoffen en daardoor minder druk te leggen op het klimaat moeten we immers aanmoedigen. En dit maakt nu net het ongebreideld optimisme over digitale technologie tot een mythe, want ook digitale technologieën zijn zelf door en door afhankelijk van diezelfde beperkte grondstoffen. De onderliggende en foutieve aanname in het geloof dat digitalisering altijd milieuvriendelijker is, ligt in de gedachte dat digitalisering samenvalt met 'dematerialisering'. Eenvoudiger gezegd: wat digitaal is, bestaat niet uit écht materiaal, het bestaat alleen in the cloud.


Maar ook de cloud heeft heel wat grondstoffen nodig om te functioneren. Denk aan de verschillende apparaten die je gebruikt om het internet te gebruiken (en om nu deze blogpost te lezen): smartphones, tablets, computers,... Al deze apparaten kunnen pas gemaakt worden met behulp van voldoende koper, kobalt, goud, zilver en lithium. Bijvoorbeeld: één smartphone vereist zo'n 70 kg aan deze grondstoffen. Reken daarbij dat op 10 jaar tijd meer dan 7 miljard smartphones geproduceerd worden, én dat onze smartphone maar een levensduur heeft van zo'n 4 jaar (én dat we die vaak na 2 jaar vervangen door het nieuwste model), dan wordt al snel duidelijk dat digitalisering niet alleen over de cloud gaat. Maar dat is nog maar het begin. Niet alleen de producten die we kopen vereisen grondstoffen, maar ook de netwerkantennes, de datacenters en de glasvezelkabels op de bodem van de oceaan die het internet draaiende houden. Elke klik, elke e-mail, elke aflevering op Netflix,... zelfs het lezen van dit boogartikel zet ergens ter wereld een datacenter in gang. Eén onschuldige zoekopdracht produceert daardoor zo'n 0,2 g CO2 en het versturen van een e-mail genereert al 4-50 g CO2 (afhankelijk van de lengte, bijlagen, etc.). Deze datacenters verbruiken niet alleen enorm veel energie om zelf draaiende te blijven, ze hebben ook voortdurend nood aan koeling. Het grootste aandeel van elektriciteitsverbruik in datacenters gaat daardoor naar airconditioning.

De Australische professor Kate Crawford schreef precies over dit onderbelichte probleem een boek, getiteld Atlas of AI: Power, Politics, and the Planetary Costs of Artificial Intelligence (2021). Je mag die titel heel letterlijk nemen. Artificiële intelligentie biedt, eerst en vooral, net zoals een atlas of een wereldkaart een manier om de wereld te zien vanuit een bepaald perspectief. Maar de metafoor gaat dieper in haar werk. Ze toont, net zoals een atlas, hoe AI ontstaat en ontwikkeld wordt op verschillende plekken op aarde. De verbindingen die daardoor zichtbaar worden tonen eveneens waar de macht gecentreerd is, en hoe we nog steeds in de erfenis staan van de kolonies uit de 20ste eeuw. (Zie hierboven hoe auteur James Birdle dit illustreert.)


Via deze website kan je zelf de "Atlas of AI" ontdekken. De atlas toont de volledige levenscyclus van een AI-systeem (bv. je Google Home-assistant). In haar boek beschrijft Crawford welke grondstoffen en menselijke arbeid nodig zijn (en zijn geweest) om deze levenscyclus te onderhouden. De belangrijkste energiebron hierin is natuurlijk elektriciteit. Helaas is het nog steeds niet duidelijk hoeveel energie de ontwikkeling van een AI-systeem precies vereist, omdat bedrijven niet transparant (willen) zijn over hun energieverbruik. Dit gebrek aan transparantie zorgt ervoor dat we al jarenlang onwetend blijven over de reële impact van AI op onze planeet. De grootste zorg van Crawford gaat naar wie precies de gevolgen zal dragen van dit verbruik. We zien nu al dat mensen uit gemarginaliseerde groepen of regio's niet meteen genieten van de voordelen van dergelijke ontwikkelingen, maar wel sterk afzien van de ecologische impact die ze teweegbrengen. Daarom brengt AI niet alleen ethische vragen met zich mee, maar vooral ook een politieke uitdaging.


Precies omdat de schaal van het probleem te groot is om als individu een verschil te maken, richt Crawford zich sterk tot politieke instanties. Toch raadt ze aan om ook zelf kritisch om te gaan met digitale en slimme technologieën. Maak voor jezelf eens de kosten-batenanalyse vooraleer je een nieuw apparaat koopt: is je oude smartphone écht aan vervanging toe? Zijn de voordelen van een timer te kunnen zetten met stembediening de ecologische kost ervan echt waard? Greenpeace ontwikkelde een interessante tool om te zien hoe eco-vriendelijk de platformen zijn die je gebruikt. Zoek je meer tips om je ecologische e-voetafdruk te verminderen? Dan vind je hier nog 6 praktische tips!